Amerikaanse Cocker Spaniel

Legal Issues

Rasstandaard
Gezondheid / Health
Legal Issues
Herplaatsing / Rescue
Groomers Info
Cockers Colours
Shows
 
 
 

 

de webmaster is niet aansprakelijk voor de juistheid van de op deze pagina vermelde informatie
 
1. Klik hier voor een voorbeeld van een koopovereenkomst.
2. Klik hier voor het artikel 'De valkuilen van een koopovereenkomst', auteur mr. C.C.E. Wilschut
3. Klik hier voor het artikel 'Addertjes onder het gras', door I. Boissevain
4. Onderstaand gerechtelijke uitspraken waarin juridische problemen omtrent honden de hoofdrol spelen
LJN BR2608, rechtbank 's-Hertogenbosch (hond overlijdt kort na aanschaf)
LJN: BB9221, Rechtbank Amsterdam (mede-eigendom)
LJN: BY7900, Rechtbank Breda (Ierse setter Sam, erfelijke aandoening)
 
 

Voorbeeld koopovereenkomst

Op de website www.rechtvoorderashond.nl staat een voorbeeld van een koopovereenkomst. Deze website wordt beheerd door mr. Frenk Bonefaas (advocaat, oud bestuurder van de Raad van Beheer, voorzitter van diverse geschillencommissies van rasverenigingen en sinds kort voorzitter van de K.N.K. Cynophilia) en Anne-Greet Bonefaas (voorzitter van een rasvereniging, redactioneel medewerker bij het kynologisch maandblad De Hondenwereld en lid van Cynophilia en Kunogonda, zij heeft meegewerkt aan een certificeringssysteem voor de rashondenfokkerij). Zij hebben een advocatenkantoor in Leiden en zijn tevens kynoloog in hart en nieren. Ze geven regelmatig lezingen over de juridische aansprakelijkheid waarmee een fokker geconfronteerd kan worden en hoe deze zich daartegen kan beschermen. Om toegang te krijgen tot de website dien je je te registreren.

 
 
LJN: BY7900,Sector kanton Rechtbank Breda , 731752 cv 12-4990
Datum uitspraak: 12-12-2012 Datum publicatie: 07-01-2013
Rechtsgebied: Civiel overig
Soort procedure: Eerste aanleg - enkelvoudig

Inhoudsindicatie (samenvatting):
Eiseres koopt op 1 februari 2010 bij gedaagde sub 1 de Ierse Setter "Voltaire of the Hunter's Home", roepnaam Sam, geboren 29 november 2009, voor de prijs van € 850,00. De door gedaagde sub 1 geëxploiteerde kennel staat geregistreerd bij de Raad van Beheer. Gedaagde sub 2 is als levenspartner van gedaagde sub 1 direct betrokken bij de kennel.

Op 18 mei 2011 krijgt Sam een eerste epileptische aanval. In het Diergezondheidscentrum (DGC) te Rotterdam wordt bij Sam de diagnose epilepsie gesteld en wordt epileptische medicatie voorgeschreven. Gedaagden betwisten gedurende langere tijd de diagnose epilepsie. Zij denken Sam te kunnen "resettten". Eiseres vertrouwt lange tijd op de deskundigheid van gedaagden. Volgens gedaagden leed Sam aan paniekaanvallen en niet aan epilepsieaanvallen. Op 27 oktober 2011 wordt Sam teruggebracht naar het DGC, waar Sam direct doorverwezen wordt naar de Diergeneeskundige Kliniek Utrecht. Op 3 tot 5 november 2011 verbleef Sam op de intensive care van genoemde kliniek. Tijdens behandelingen en onderzoeken bleek wederom dat bij Sam sprake was van primaire epilepsie. Eiseres heeft veel kosten moeten maken en is geconfronteerd met veel dierenleed. Uiteindelijk is besloten om Sam te laten inslapen. Omdat gedaagde sub 2 geen contractspartij is, wijst de kantonrechter jegens gedaagde sub 2 af.

Naar het oordeel van de kantonrechter is het binnen Nederland al enige jaren een feit van algemene bekendheid, dat onder rashonden, zoals Ierse setters, veel erfelijke aandoeningen voorkomen. De kantonrechter begrijpt niet dat gedaagde sub 1 zo lange tijd heeft ontkend dat Sam aan primaire epilepsie leed. De kantonrechter vermoedt dat dit ontkennen -tegen beter weten in- slechts te maken kan hebben met de vrees/angst voor negatieve publiciteit. Door met geen woord te reppen op haar website over de kans op epilepsie heeft gedaagde sub 1 -als kennelhoudster tevens erkend fokster- potentiële kopers relevante informatie onthouden.

De kantonrechter is verder van oordeel, dat Sam vanwege de vastgestelde epilepsie niet voldeed aan de verwachting die eiseres in redelijkheid bij de aankoop van deze rashond mocht hebben. Samengevat is de kantonrechter van oordeel, dat gedaagde sub 1 toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen jegens eiseres. Een verklaring voor recht op dat punt wordt toegewezen. De kantonrechter is van oordeel, dat gedaagde sub 1 de betaalde koopprijs ad € 850,00 aan eiseres dient terug te betalen. Gedaagde sub 1 wordt tevens veroordeeld in de door eiseres gemaakte medische kosten ad € 1.570,98, alsmede tot betaling van een bedrag van € 293,40 aan reiskosten. De kantonrechter acht voorts een immateriële schadevergoeding op zijn plaats. Het namens eiseres op dit punt gevorderde bedrag van € 4.000,00 matigt hij tot € 1.500,00. Gedaagde sub 1 wordt verder veroordeeld tot vergoeding aan eiseres van buitengerechtelijke kosten en proceskosten. Een verklaring voor recht dat gedaagde sub 1 zich met haar kennel tevens zou hebben schuldig gemaakt aan oneerlijke handelspraktijken heeft de kantonrechter afgewezen.

Uitspraak RECHTBANK BREDA team kanton Bergen op Zoom
zaak/rolnr.: 731752 CV EXPL 12-4990

vonnis d.d. 12 december 2012 inzake [eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres, gemachtigde: de heer H. Baaij, werkzaam bij de Stichting Dier & Recht te Amsterdam, tegen 1. [gedaagde 1], en 2. [gedaagde 2], beiden handelend onder de kennelsnaam “[X]”, wonende te [adres] gedaagden, schriftelijk procederend in persoon.

1. Het verdere verloop van het geding De procesgang blijkt uit de volgende stukken: a. het tussenvonnis van 12 september 2012 en de in dat genoemde processtukken; b. de mondelinge behandeling van 16 oktober 2012 en de in dat kader door de griffier gemaakte aantekening, alsmede de namens eiseres overgelegde akte eisvermindering tevens akte overlegging productie en het audiëntieblad van die datum.

2. Het geschil 2.1 Eiseres vordert -na vermindering van eis- bij vonnis, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: I. voor recht te verklaren dat gedaagden een toerekenbare tekortkoming hebben begaan in de nakoming van de verbintenis met eiseres en daarom schadeplichtig zijn ten aanzien van de koopsom en de schade; II. voor recht te verklaren dat gedaagden zich schuldig hebben gemaakt aan oneerlijke handelspraktijken en daarom schadeplichtig zijn ten aanzien van de schade; III. gedaagden te veroordelen om aan eiseres te betalen binnen twee weken na het te wijzen vonnis een bedrag in hoofdsom van € 7.904,38, bestaande uit medische kosten (1.570,98), reiskosten (€ 293,40), kosten rechtsbijstand (€ 1.190,00), teruggaaf koopsom (€ 850,00) en smartegeld (€ 4.000,00), te vermeerderen met de wettelijke rente; IV. gedaagden te veroordelen in de kosten van deze procedure, alsmede de nakosten. 2.2 Gedaagden voeren bij antwoord en tijdens de mondelinge behandeling verweer.

3. De verdere beoordeling
3.1 Tijdens voormelde mondelinge behandeling hebben partijen geen minnelijke regeling bereikt. Partijen hebben allebei volhardt bij hun eerder ingenomen standpunten en deze ter zitting nader toegelicht. Voor zover nodig zal de kantonrechter hierna op deze standpunten terugkomen.

3.2 De kantonrechter gaat uit van de navolgende tussen partijen vaststaande feiten.
3.2.1 Op 1 februari 2010 heeft eiseres de Ierse setter, “Voltaire of the Hunter’s Home” roepnaam Sam, geboren 29 november 2009, gekocht bij de reeds sinds 1973 bestaande Ierse setter Kennel “[X]” voor de prijs van € 850,00. Hierbij is mondelinge koopovereenkomst gesloten. Het was de derde keer dat eiseres een Ierse setter kocht bij laatstgenoemd kennel. Er is sprake van een consumentenkoop in de zin van artikel 7:5 lid 1 BW. Een kopie van de stamboom van de Raad van Beheer is als productie 1 bij dagvaarding overgelegd.
3.2.2 De Kennel [X], staat sinds 1973 geregistreerd bij de Raad van Beheer, staat op naam van gedaagde sub 1.
3.2.3 Gedaagde sub 2 is als levenspartner van gedaagde sub 1 wel direct betrokken bij voormelde kennel.
3.2.4 Op 18 mei 2011 heeft Sam een epileptische aanval gekregen. Sam was op dat moment ca. 18 maanden oud. Eiseres heeft Sam diezelfde dag naar het Dierengezondheidscentrum (DGC) te Rotterdam gebracht, waar zij na de diagnose epilepsie epileptische medicatie heeft meegekregen en tevens bloed is afgenomen voor een klinisch onderzoek. Vanwege de ernst van de aandoening werd een MRI-scan geadviseerd.
3.2.5 Eiseres heeft diezelfde dag gedaagden over deze diagnose ingelicht. Gedaagde sub 1 heeft toen medegedeeld dat een MRI-scan niet nodig was, zij verklaarde: “Het is onze hond, breng hem maar hier, wij resetten hem”. Aangezien eiseres het volste vertrouwen in gedaagden had, is Sam vervolgens 10 dagen bij gedaagden verbleven.
3.2.6 Na terugkeer bij eiseres heeft Sam op 6 juli 2011 wederom een epileptische aanval gekregen. De DGC heeft toen extra epileptische medicatie voorgeschreven.
3.2.7 Diezelfde dag heeft eiseres gedaagden opnieuw om advies gevraagd. Gedaagde sub 1 gaf toen aan dat zij niet geloofde in de diagnose epilepsie en dat zij dacht dat zij Sam kon “resetten”. Vertrouwend op gedaagden heeft eiseres op 7 juli 2011 wederom Sam bij de kennel afgeleverd nog steeds vertrouwend op de vakkundigheid van gedaagden.
3.2.8 Gedaagden gaven aan minimaal 16 weken de hond te willen observeren. Echter na 17 dagen verzocht gedaagde sub 1 eiseres om Sam te komen ophalen vanwege persoonlijke omstandigheden.
3.2.9 Vanaf het moment dat Sam voor de tweede maal bij eiseres werd terugbezorgd, bleven eiseres en gedaagden regelmatig overleggen over de toestand van Sam.
3.2.10 Begin augustus 2011 adviseerden gedaagden eiseres om de medicatie van Sam te halveren. Vertrouwend op de deskundigheid van gedaagden heeft eiseres dit advies opgevolgd.
3.2.11 Begin oktober 2011 kreeg Sam wederom epileptische aanvallen. Gedaagden ontkenden de diagnose epilepsie nog steeds. De zoon van eiseres heeft Sam toen naar de dierenarts gebracht waar hij injecties kreeg om de aanvallen te stoppen.
3.2.12 Op 9 oktober 2011 heeft eiseres Sam op advies van gedaagde sub 2 teruggebracht naar gedaagden. Ook toen ontkenden gedaagden de diagnose epilepsie. Eiseres heeft toen wel de epilepsiemedicatie aan gedaagden afgegeven. DGC had aangegeven, dat de voorgeschreven medicatie onder geen voorwaarde gestopt mocht worden. Nog steeds vertouwde eiseres op de ervaring en deskundigheid van gedaagden. Op 9 september 2011 heeft Sam echter zeven aanvallen gehad. Volgens gedaagden leed Sam aan paniekaanvallen en niet aan epilepsieaanvallen. Deze stelling baseerden gedaagden naar eigen zeggen op het advies van vier dierenartsen.
3.1.13 Gedaagden hebben vervolgens Sam zonder overleg met eiseres meegegeven aan een kennis die volgens hen gedragstherapeute is. Gedaagden hebben aan deze kennis geen epilepsiemedicatie meegegeven. Toen Sam na tien dagen steeds meer aanvallen kreeg, heeft deze kennis Sam teruggebracht naar gedaagden.
3.1.14 Op 26 oktober 2011 heeft eiseres Sam weer opgehaald bij gedaagden. Op deze dag heeft Sam zeven epileptische aanvallen gehad.
3 .1.15 Op 27 oktober 2011 heeft eiseres Sam naar de DGC gebracht, waar Sam een infuus kreeg en eiseres doorverwees naar de Diergeneeskundige Kliniek Utrecht.
3.1.16 In de Diergeneeskundige Kliniek Utrecht kreeg Sam weer een infuus en werd zijn epilepsiemedicatie verhoogd.
3.1.17 Op 30 oktober 2011 heeft eiseres Sam weer opgehaald in laatstgenoemde kliniek. De volgende dagen heeft Sam tientallen aanvallen per dag gehad tengevolge waarvan Sam verlamd raakte.
3.1.18 Van 3 tot 5 november 2011 heeft Sam op de intensive care van dezelfde kliniek gelegen. In deze dagen is een MRI-scan en een ruggenmergpunctie uitgevoerd, in combinatie met een bloedonderzoek. Uit deze resultaten bleek wederom dat Sam aan primaire epilepsie leed. Een kopie van het verslag van opname is als productie 3 bij dagvaarding overgelegd.
3.1.19 Vanaf het moment dat de epilepsiemedicatie op de juiste hoeveelheid werd ingesteld is het aantal epileptische aanvallen verminderd. Tijdelijke vermindering van de medicatie leidde tot meer aanvallen waarna de medicatie weer is verhoogd.
3.1.20 Eiseres heeft gedaagden diverse malen gebeld en geconfronteerd met het dierenleed, de stress en de hoge dierenartskosten die de ziekte van Sam met zich meebrachten. Zij heeft hen gevraagd om haar tegemoet te komen in de dierenartskosten. Gedaagden zijn echter van mening, dat hen geen verwijt kan worden gemaakt omdat het hierbij gaat om een erfelijke afwijking en zij zien daarom ook geen reden om bij te dragen in de kosten.
3.1.21 Eiseres heeft hierop in november 2011 om juridische bijstand gevraagd aan de Stichting Dier & Recht. Mw. A.M. van Dijk, juridisch adviseur van deze stichting, heeft vervolgens contact opgenomen met gedaagden en aan hen gevraagd om toch een tegemoetkoming in de dierenartskosten te overwegen, gezien de ernst van de situatie, gezien het feit dat het gaat om een erfelijke ziekte en het feit, dat gedaagden -volgens deze stichting- wisten of hadden kunnen weten dat zij met epileptische honden fokten.
3.1.22 Gedaagde sub 2 heeft hierop gereageerd door wederom te zeggen dat zij niet voornemens zijn om eiseres tegemoet te komen. Wel wilde gedaagde sub 2 nadenken over het terugnemen van de hond maar trok dit enige dagen later weer in. Voornoemde mw. Van Dijk heeft over dit punt aan gedaagde sub 2 medegedeeld, dat zij het niet wenselijk vond de hond te retourneren, aangezien dit niet in het belang van de hond was en zij voorts bang was dat gedaagden de hond zouden laten inslapen. Verder was eiseres ook te zeer aan Sam gehecht om hem aan gedaagden te retourneren.
3.1.23 Op 25 januari 2012 heeft de Stichting Dier & Recht ten behoeve van eiseres aan gedaagden een aansprakelijkheidsstelling gestuurd waarin zij een schadevergoeding voor de koopprijs en de gemaakte dierenartskosten. Op deze aansprakelijkheidsstelling hebben gedaagden niet gereageerd. Ook op de herinneringen van deze aansprakelijkheidsstellingen op 8 februari 2012 en 13 en 25 april 2012 hebben gedaagden niet gereageerd.
3.1.24 In verband met het overlijden van Sam heeft eiseres haar eis verminderd omdat toekomstige medische kosten zijn vervallen.

3.2 Eiseres baseert haar vorderingen (mede) op bovengenoemde vaststaande feiten en zij stelt verder dat zij schade heeft geleden doordat gedaagden toerekenbaar tekortkomen bij het leveren van een rashond die niet voldoet aan hetgeen mag worden verwacht van een rashond. Op grond van dit toerekenbaar tekortschieten (wanprestatie) vordert eiseres vermindering van de koopprijs tot nihil (artikel 7:22 lid 1 sub b BW) en teruggaaf van de reeds betaalde koopprijs, of teruggaaf van de koopprijs bij wijze van schadevergoeding. Voorts vordert eiseres schadevergoeding van de door haar gemaakte medische kosten (artikel 7:24 lid 1 BW) en aanvankelijk een bedrag ineens voor toekomstige schade (artikel 6:105 BW). Na het overlijden van Sam heeft laatstgenoemde vordering tot betaling van toekomstige schade laten vallen. Gedaagden hebben volgens haar willens en wetens honden gefokt met een (grote) kans op epilepsie en zij hebben dit volgens haar ook verzwegen. Zelfs na ontdekking van de onderhavige epilepsie bij Sam hebben gedaagden het bestaan van epilepsie ontkend. Eiseres stelt vast dat tot op het moment van dagvaarding geen waarschuwing op de website van [X] staat dat hun Ierse setters een grote kans op epilepsie hebben. Volgens eiseres is op deze wijze sprake van oneerlijke handelspraktijken (artikel 6:139 BW jo. artikel 6:162 BW) en voorts van het (opzettelijk) verzwijgen van informatie, waardoor zij tot een koop is overgegaan die zij anders niet zou hebben gesloten. Gedaagden zijn volgens haar ook op deze grondslag aansprakelijk voor alle schade die zij als gevolg van de misleiding (artikel 6:139j lid 2 BW) heeft geleden, te weten de aankoopsom en de door haar betaalde medische kosten. Tevens vordert eiseres vergoeding voor de vele uren verzorging van Sam en smartegeld vanwege het leed dat haar is aangedaan door het onrechtmatig handelen van gedaagden. Bij dagvaarding voert eiseres nog aan dat het zeer bezwaarlijk is om Sam terug te geven aan gedaagden alleen vanwege het feit, dat zij zeer gehecht is geraakt aan Sam. Door het overlijden van Sam is teruggave geen item meer.

3.3 Gedaagden voeren bij antwoord en tijdens de mondelinge behandeling verweer tegen de vorderingen van eiseres. Zij benadrukken dat de Kennel [X] op naam van gedaagde sub 1 staat. Gedaagde sub 2 is als levenspartner wel direct betrokken bij de kennel. Uitgangspunt is steeds te fokken met weloverwogen combinaties met als prioriteit gezondheid. Zij erkennen de verkoop van Sam voor de namens eiseres genoemde prijs. Zij erkennen ook dat eiseres hen medio mei 2011 heeft geïnformeerd de eerste epileptische aanval bij Sam. Zij droegen ook kennis van de medicatie welke op grond van epilepsie aan Sam was voorgeschreven. Volgens gedaagden hebben zij Sam met de beste bedoelingen gefokt absoluut niet wetend dat bij deze hond epilepsie zou voorkomen. De vele namens eiseres overgelegde producties gegeven volgens hen een verkeerd beeld van mogelijke verwantschap met honden waarbij wel in het verleden sprake was van epilepsie. Zij bevestigen verder dat Sam na de eerste melding van epilepsie door eiseres enkele malen bij hen heeft verbleven voor observatie hierbij is volgens hen bijna dagelijks contact met eiseres geweest. Ook is er contact geweest met dierenartsen om de situatie rond Sam te bespreken. Eiseres zelf heeft hen volgens gedaagden nooit benaderd over nalatigheid, aansprakelijkheid of financiële vergoeding. Volgens hen is vanuit de gemachtigde van eiseres “een heksenjacht” gaande tegen alle erkende fokkers van rashonden en wil deze gemachtigde zonodig een voorbeeld stellen. Deze gemachtigde heeft volgens hen ook bewust de publiciteit gezocht. Positie gedaagde sub 2

3.4 Hoewel gedaagde sub 2 als levenspartner van gedaagde sub 1 kennelijk wel direct betrokken is geweest bij de discussie rond Sam, is hij aantoonbaar geen contractspartij bij de tussen eiseres en gedaagde sub 1 gesloten koopovereenkomst met betrekking tot Sam. Gedaagde sub 2 is ook geen (mede) eigenaar van de onderhavige kennel. Alleen om die reden die de vorderingen van eiseres voor zover gericht tegen gedaagde sub 2 te worden afgewezen. Voorzienbaarheid?

3.5 De kantonrechter overweegt hieromtrent het navolgende. Naar het oordeel van de kantonrechter is het binnen Nederland al enige jaren een feit van algemene bekendheid, dat onder rashonden, zoals Ierse setters, veel erfelijke aandoeningen voorkomen. Uit literatuur en wetenschappelijk onderzoek blijkt dat de huidige gezondheidstoestand van rashonden grote zorgen baart. Gedaagde sub 1, die stelt de afgelopen jaren zelf betrokken te zijn geweest bij wetenschappelijk onderzoek, moet deze wetenschap ook hebben. In dat verband is ook -zeker voor haar- een feit van algemene bekendheid, dat juist bij de Ierse setter een aanzienlijk verhoogde kans op epilepsie bestaat. Gelet op deze wetenschap bij gedaagde sub 1 begrijpt de kantonrechter niet dat gedaagden zo lange tijd hebben ontkend, dat Sam aan primaire epilepsie leed. De kantonrechter vermoedt dat dit ontkennen -tegen beter weten in- slechts te maken kan hebben met de vrees/angst voor negatieve publiciteit rond de kennel. Door zo te handelen heeft zij zeker niet in het belang van Sam gehandeld. Epilepsie was voorzienbaar bij Sam en helaas heeft deze voorzienbare mogelijkheid zich bij Sam ook gemanifesteerd.

3.6 Door op haar website met geen woord te reppen over de kans op epilepsie onthoudt gedaagde sub 1 -als kennelhoudster tevens erkend fokster- potentiële kopers relevante informatie. Ook hier vermoedt de kantonrechter slechts een commercieel belang. Waarom geen openheid op dit punt? De potentiële koper, waaronder eiseres, kan dan zelf afwegen of zij -ondanks deze wetenschap- wenst over te gaan tot aankoop. Omdat een hond een levend wezen is, kan de verkoper nooit 100% garanderen dat een hond bij aankoop gezond is en blijft. De verkoper moet echter wel kunnen aantonen dat hij er alles aan gedaan heeft om te zorgen dat de hond gezond is. Gedaagde sub 1 heeft op dit punt als geregistreerde fokker een uitgebreide zorgplicht. Non-conformiteit?

3.7 De kantonrechter is met eiseres van oordeel, dat Sam vanwege de vastgestelde epilepsie niet voldeed aan de verwachting die eiseres in redelijkheid bij de aankoop van deze rashond mocht hebben. Dit klemt temeer nu Sam kennelijk de derde pup was, die eiseres bij de kennelijk van gedaagde sub 1 kocht. Gelet op de bovenmatige hoeveelheid verzorging, de medische kosten en de bij de hond geconstateerde verschijnselen, is er geen sprake van “normaal gebruik”. Een consument, zoals eiseres, mag zeker van een relatief dure rashond met stamboom verwachten dat deze gezond is en niet binnen 15 maanden na aankoop een dergelijke ernstige afwijking, zoals epilepsie vertoont. Voldoende is op basis van de overgelegde medische bescheiden gebleken, dat Sam vanaf zijn geboorte belast met een erfelijke vorm van epilepsie. Slechts de aard van het gebrek verzette zich ertegen dat deze afwijking zich niet eerder openbaarde. Primaire epilepsie openbaart zich immers gemiddeld op een leeftijd van 1 tot 3 jaar. De literatuur en het wetenschappelijk onderzoek, waarnaar in de namens eiseres overgelegde stukken wordt verwezen, zijn daar duidelijk over. Onweersproken staat verder vast dat door of namens gedaagde sub 1 nadrukkelijk is verklaard, dat eiseres zich geen zorgen behoefde te maken over de gezondheid van de -te kopen- pup omdat de moeder van Sam al eerder gezonde nestjes had voortgebracht. Uit niets blijkt dat eiseres van haar kant niet aan haar onderzoeksplicht (artikel 7:17 lid 5 BW) als koper zou hebben voldaan. Juist gedaagde sub 1 heeft van haar kant haar mededelingsplicht geschonden door niets mede te delen over deze relatief veel voorkomende aandoening bij Ierse setters. Samengevat is de kantonrechter van oordeel, dat gedaagde sub 1 toerekenbaar tekort is gekomen in de nakoming van hun verplichtingen jegens eiseres. Eiseres heeft binnen bekwame tijd (artikel 7:23 BW) na ontdekking van het gebrek hiervan melding gedaan aan gedaagde sub 1. Gelet op voorgaande zal de kantonrechter hierna voor recht verklaren dat gedaagde sub 1 toerekenbaar tekort zijn geschoten in de nakoming van de verbintenis met eiseres en daarom schadeplichtig is wat betreft de koopsom en de geleden schade.

3.8 Eiseres vordert prijsvermindering van de aankoopsom van € 850,00 in evenredigheid met de afwijking. Een hond, die afwijkingen vertoond zoals hier aan de orde en die vervolgens zelfs overleed, is in het economisch verkeer waardeloos. Om die reden dient naar het oordeel van de kantonrechter de volledige koopprijs door gedaagde sub 1 terugbetaald te worden.

3.9 Eiseres vordert voorts terecht (schade)vergoeding ex artikel 7:24 lid 1 BW van de door haar gemaakte kosten. Eiseres heeft door overlegging van stukken voldoende aangetoond, dat zij voor een totaal bedrag van € 1.570,98 aan medische kosten heeft gemaakt en voor een bedrag van € 293,40 aan reiskosten. Ook dit gedeelte van de vorderingen van eiseres wordt hierna jegens gedaagde sub 1 toegewezen.

3.10 Eiseres maakt ook aanspraak op vergoeding van immateriële schade ad € 4.000,00. De kantonrechter ziet aanleiding om deze claim ex aequo ad bono te matigen tot een bedrag van € 1.500,00. Het feit, dat gedaagde sub 1 -tegen beter weten in- langere tijd heeft ontkend dat er sprake was van deze erfelijke aandoening en de schending van het vertrouwen van eiseres hiermee, is voor de kantonrechter mede een reden te oordelen, dat in dit geval ook een immateriële schadevergoeding op zijn plaats is.

3.11 Namens eiseres wordt ook een verklaring voor recht gevorderd dat gedaagde sub 1 zich met haar kennel schuldig zou hebben gemaakt aan oneerlijke handelspraktijken. De kantonrechter kan zich niet aan de indruk onttrekken dat dit gedeelte van de vordering vooral uit de koker komt van de gemachtigde van eiseres. Kennelijk zou de stichting Dier & Recht (gemachtigde van eiseres) graag zien indien hier “een voorbeeld” wordt gesteld op dit punt. Het enkel tekortschieten bij de onderhavige verkoop is voor de kantonrechter echter onvoldoende om een dergelijke vergaande uitspraak te doen. Het overige namens eiseres gestelde op dit punt is te zeer gebaseerd op vermoedens.

3.12 Eiseres claimt ook de vergoeding van kosten voor juridische rechtsbijstand ad € 1.190, 00 (inclusief BTW). Gelet op het uiteindelijk toe te wijzen bedrag zal de kantonrechter deze kosten conform het gebruikelijk tarief matigen tot € 714,00 (inclusief). Eiseres heeft voldoende aangetoond dat zij deze kosten noodzakelijk heeft moeten maken.

3.13 Gedaagde sub 1 zal verder als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van dit geding. De gevorderde nakosten zal de kantonrechter als onvoldoende gesteld en onderbouwd afwijzen. 4. De beslissing De kantonrechter: wijst alle vorderingen jegens gedaagde sub 2 af; verklaart voor recht dat gedaagde sub 1 toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de onderhavige koopovereenkomst met eiseres en dat zij daarom schadeplichtig is wat betreft de koopsom en de geleden schade. veroordeelt gedaagde sub 1 om binnen twee weken na heden aan eiseres te betalen een bedrag van € 4.117,98, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 8 februari 2012 tot aan de dag der algehele voldoening; veroordeelt gedaagde sub 1 in de kosten van dit geding, aan de zijde van eiseres tot op heden begroot op € 931,62, daarin begrepen een bedrag van € 400,00 als salaris voor de gemachtigde van eiseres, te voldoen binnen twee weken na heden; verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad; wijst de vorderingen van eiseres jegens gedaagde sub 1 voor het overige af. Dit vonnis is gewezen door mr. W.E.M. Verjans, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op woensdag 12 december 2012.
 
 
LJN: BR2608, Sector kanton Rechtbank 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak: 21-07-2011
Datum publicatie: 21-07-2011
Rechtsgebied: Civiel overig
Soort procedure: Eerste aanleg - enkelvoudig

Inhoudsindicatie: Eisers hebben van gedaagde een hond gekocht. De hond is zes dagen na aanschaf overleden, volgens eisers aan de gevolgen van het parvovirus. Eisers maken onder meer aanspraak op teruggave van de koopsom en op vergoeding van de kosten van de dierenarts. Gedaagde betwist onder meer dat de hond besmet was met parvo. De kantonrechter oordeelt als volgt. Er is sprake van een consumentenkoop in de zin van artikel 7:5 BW. Voldoende aannemelijk is dat de hond op het moment van verkoop besmet was met parvo en daaraan is overleden. Aangezien de hond niet beantwoordde aan de overeenkomst, nu deze niet de eigenschappen bezat die eisers op grond van de overeenkomst mochten verwachten, hebben eisers de koopovereenkomst met gedaagde mogen ontbinden. Gedaagde wordt veroordeeld tot restitutie van de koopsom aan eisers. Er zijn omstandigheden op grond waarvan de tekortkoming, het lijden van de hond aan parvo en het na zeer korte tijd na de verkoop overlijden daaraan, aan gedaagde is toe te rekenen. De gevolgschade, in casu de kosten van de dierenarts, komt daarom voor vergoeding in aanmerking. Gedaagde wordt veroordeeld tot het betalen van voormelde kosten aan eisers.

Vindplaats(en): Rechtspraak.nl

1. De procedure

[eisers] hebben bij dagvaarding gesteld en gevorderd als na te melden. [gedaagde] is in rechte verschenen en heeft een conclusie van antwoord genomen. Vervolgens is een comparitie van partijen bepaald. De gemachtigde van [eisers] heeft bij faxbrief van 28 juni 2011 nog stukken ingezonden ten behoeve van de comparitie. De comparitie heeft plaatsgevonden op 11 juli 2011. Ter zitting heeft de gemachtigde van [eisers] een bewijs van aangetekend verzenden overgelegd. Ten slotte is vonnis bepaald.
 

2. Het geschil

2.1. [eisers] vorderen betaling van € 750,-, te vermeerderen met rente en kosten als vermeld in de dagvaarding. [eisers] leggen daaraan het volgende ten grondslag. Zij hebben van [gedaagde] een hond gekocht, waarvoor een koopovereenkomst d.d. 9 september 2010 is ondertekend. De hond is reeds zes dagen na aanschaf overleden aan de aandoening parvo. [eisers] hebben bij brief van 17 september 2010, onder meer, de koopovereenkomst ontbonden. Het overlijden van de hond was voor [gedaagde] te voorzien. [eisers] maken aanspraak op een bedrag van € 750,-, welk bedrag bestaat uit € 350,- ter zake de koopsom van de hond, € 124,85 ter zake de kosten van de door [eisers] ingeschakelde dierenarts, alsmede de kosten voor de reis en de kosten van tot de dagvaarding aan [eisers] verleende rechtsbijstand ad € 150,-.

 
2.2. [gedaagde] heeft, kort weergegeven, het volgende verweer gevoerd. Juist is dat [eisers] op 9 september 2010 van [gedaagde] een pup hebben gekocht. [gedaagde] ent alle pups standaard in tegen parvo en hondenziekte. Zo is ook de onderhavige pup ingeënt. Bij haar zijn tot op heden nooit pups/honden aan parvo overleden. Partijen hebben enige dagen na de totstandkoming van de koopovereenkomst telefonisch contact gehad, waarbij van de zijde van [eisers] is aangegeven dat de pup ziek was. [gedaagde] heeft in dat gesprek gevraagd de pup terug te brengen, aangezien de ziekte veroorzaakt kan worden door de plotselinge verandering van omgeving. [eisers] hebben aan dit verzoek voldaan. Bij het terugbrengen van de pup is afgesproken dat, indien de pup het niet zou halen, [eisers] een nieuwe pup zouden krijgen van [gedaagde]. Nadat de pup was overleden, hebben [eisers] echter geen pup van [gedaagde] willen afnemen. Er is geen sprake van dat de hond aan parvo is overleden. De moeder en de vijf andere pups uit hetzelfde nest zijn gezond. [gedaagde] is niet gehouden tot terugbetaling van de koopsom, noch tot enige andere vergoeding aan [eisers].
 

3. De beoordeling

3.1. Tussen partijen staat het volgende vast. [eisers] hebben op 9 september 2010 van [gedaagde] een hond gekocht. Enige dagen na de aanschaf hebben [eisers] contact opgenomen met [gedaagde] en medegedeeld dat de hond ziek was. Op verzoek van [gedaagde] hebben [eisers] de pup teruggebracht naar [gedaagde]. De hond is zes dagen na aanschaf overleden.

 
3.2. Aangezien het gaat om de koop van een roerende zaak, de hond, die is gesloten door een verkoper, [gedaagde], die handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf en kopers, [eisers], die niet handelen in de uitoefening van een beroep of bedrijf, betreft de koop een consumentenkoop (artikel 7:5 BW).
 
3.3. Vooreerst zal worden beoordeeld of [gedaagde] gehouden is de koopsom ad € 350,- aan [eisers] te retourneren. Als productie 3 bij dagvaarding is overgelegd het resultaat van een 'Bloed Snaptest Parvo' d.d. 13 september 2010, uitgevoerd door dierenkliniek Toolenburg & IJweg, waaruit blijkt dat het parvovirus in het bloed van de hond aanwezig is. [gedaagde] heeft betwist dat de hond aan parvo leed (en daaraan is overleden). Volgens [gedaagde] is een Snaptest, zoals uitgevoerd door de dierenkliniek, niet bepalend. [gedaagde] heeft echter niet uiteengezet, noch met bijvoorbeeld een verklaring van een dierenarts onderbouwd, waarom een dergelijke test niet bepalend zou zijn. Zonder meer is onvoldoende aannemelijk dat een pup door verandering van omgeving dermate ziek wordt dat deze daaraan overlijdt. Ook het door [gedaagde] aangevoerde dat de moeder en de vijf andere pups uit hetzelfde nest gezond zouden zijn, legt, afgezet tegen de conclusie van de door dierenkliniek Toolenburg & IJweg uitgevoerde test, onvoldoende gewicht in de schaal. [eisers] hebben de pup op verzoek van [gedaagde] naar haar teruggebracht, zodat zij in de gelegenheid is geweest de pup te laten onderzoeken door een andere dierenarts. Dat zij daarmee heeft willen wachten tot de volgende dag en de pup de nacht daarvoor is overleden, zodat zij de pup naar haar zeggen niet meer kon laten testen, dient voor haar rekening en risico te komen. De kantonrechter gaat dan ook uit van het resultaat van de test zoals uitgevoerd door voormelde dierenkliniek, welk resultaat onvoldoende gemotiveerd betwist is. Gelet op de zeer korte periode die is verstreken tussen het moment van aanschaf en het zich voordoen van de ziekteverschijnselen is het, gezien de incubatietijd van het parvovirus, aannemelijk dat de hond op het moment van verkoop al leed aan de ziekte.
 
3.4. De conclusie is dat de gekochte zaak, in casu de pup, niet beantwoordde aan de overeenkomst, nu de hond niet de eigenschappen bezat die [eisers] op grond van de overeenkomst mochten verwachten. [eisers] hebben immers niet hoeven verwachten dat zij een met parvo besmette hond kochten, die zes dagen na aanschaf zou overlijden. [eisers] hebben binnen bekwame tijd geklaagd. Zij hebben dan, naast de rechten en bevoegdheden genoemd in de artikelen 7:20 BW, 7:21 BW en 7:22 lid 1 BW, het recht de overeenkomst met [gedaagde] op grond van artikel 6:265 BW te ontbinden (zie artikel 7:22 lid 4 BW), nu niet gesteld noch gebleken is dat de tekortkoming de ontbinding niet rechtvaardigt. De omstandigheid dat [eisers] akkoord zouden zijn gegaan met het krijgen van een andere pup van [gedaagde] in het geval de onderhavige het niet zou halen (hetgeen door [eisers] overigens betwist wordt), doet daaraan niet af. Evenmin laat het feit dat in de koopovereenkomst is opgenomen dat, bij overlijden van de hond naar aanleiding van een gebrek, de verkoper zich verbindt de hond te vervangen door een gelijkwaardige hond van ras en geslacht en dat de koopovereenkomst vermeldt dat de koopsom in geen geval zal worden terugbetaald, het voorgaande onverlet. Dit aangezien artikel 7:22 BW van dwingendrechtelijke aard is en daarvan derhalve niet kan worden afgeweken (artikel 7:6 BW). (Dit nog daargelaten dat ten aanzien van de bepaling dat de hond bij overlijden zal worden vervangen door een gelijkwaardige hond van ras en geslacht geldt, dat deze is geformuleerd als een verplichting van de verkoper.) De ontbinding doet een verbintenis tot ongedaanmaking van de reeds ontvangen prestaties ontstaan. [gedaagde] is dan ook gehouden de koopsom aan [eisers] terug te betalen. Toewijsbaar is daarom het bedrag van € 350,-.
 
3.5. Vervolgens is aan de orde de vraag of [gedaagde] gehouden is de gevolgschade van [eisers] te vergoeden. Artikel 7:24 bepaalt dat, indien op grond van consumentenkoop een zaak is afgeleverd die niet de eigenschappen bezit die de koper op grond van de overeenkomst mocht verwachten, de koper jegens de verkoper het recht heeft op schadevergoeding overeenkomstig de afdelingen 9 en 10 van titel 1 van Boek 6. Derhalve is van belang of, op grond van artikel 6:74 lid 1 BW, de tekortkoming aan [gedaagde] toerekenbaar is.
 
3.6. [eisers] hebben in dat verband gewezen op het door de Rechtbank Zutphen gewezen vonnis d.d. 22 juni 2011 inzake ene [X] tegen [gedaagde] (zaaknummer 428430). Uit deze uitspraak blijkt het volgende. [X] heeft [gedaagde] op 31 juli 2010, te weten voordat [gedaagde] de onderhavige koopovereenkomst met [eisers] heeft gesloten, gebeld met de mededeling dat de door [X] van [gedaagde] gekochte hond ziekteverschijnselen vertoont. In deze zaak, met zaaknummer 428430, is door het Veterinair Pathologisch Diagnostisch Centrum te Utrecht naar voren gebracht dat er afwijkingen aan de dunne darm van de hond zijn vastgesteld die kunnen passen bij een infectie met het Canine parvovirus en heeft de dierenarts verklaard dat de verantwoordelijke arts van het voornoemde centrum hem telefonisch heeft medegedeeld dat de hond gezien het ziektebeeld sterk verdacht was van parvo. Bij aangetekend schrijven van 21 augustus 2010 heeft [X], voorafgaand aan de onderhavige koop d.d. 9 september 2010, onder meer laten weten de koop te willen ontbinden op grond van non-conformiteit.
 
3.7. Ter zitting is door [gedaagde] niet betwist dat zij voorafgaand aan de koop door [eisers] wist dat [X] zich op het standpunt stelde dat [gedaagde] haar een met parvo besmet hondje had geleverd. [gedaagde] heeft enkel betwist dat de hond daadwerkelijk aan parvo leed. De kantonrechter acht zulks echter, gelet op hetgeen daarover is overwogen in voormeld vonnis in de zaak met nummer 428430, voldoende aannemelijk. Ter gelegenheid van de zitting van 11 juli 2011 is gebleken dat beide partijen het erover eens zijn dat parvo zeer besmettelijk is. [gedaagde] heeft daarom, vanaf het moment dat zij ervan op de hoogte was dat er mogelijk parvo heerste op haar terrein, maatregelen dienen te treffen ter voorkoming van verdere besmetting. Dat [gedaagde] (naar voren heeft gebracht dat zij) de hond op het juiste moment, te weten na 6 weken, heeft ingeënt is niet afdoende, aangezien [gedaagde] ter zitting zelf heeft gesteld dat een dergelijke inenting geen garantie is dat een hond niet besmet raakt met het parvovirus. Niet gesteld, noch gebleken is dat [gedaagde] (extra) maatregelen ter voorkoming van verdere besmetting getroffen heeft.
 
3.8. Bovendien staat in de koopovereenkomst vermeld dat verkoper ziektes en andere verborgen gebreken daterend van voor de verkoop waarborgt (zie sub d). Zoals reeds overwogen onder 3.3 wordt aangenomen dat de hond op het moment van verkoop al leed aan parvo.
 
3.9. Gezien de hiervoor beschreven omstandigheden is de kantonrechter van oordeel dat de tekortkoming van de pup, het lijden aan de ziekte parvo en het na zeer korte tijd na de verkoop overlijden daaraan, aan [gedaagde] toerekenbaar is. De kosten van de door [gedaagde] ingeschakelde dierenarts ad € 124,85 zijn daarom toewijsbaar. [eisers] maken voorts aanspraak op de reiskosten die zij hebben gemaakt om het hondje zo snel mogelijk te laten behandelen. Kennelijk vorderen zij ter zake een bedrag van (€ 750,- minus € 350,- minus € 124,85 minus € 150,- maakt) € 125,15. Onvoldoende duidelijk is op welke wijze dit bedrag tot stand is gekomen, mede gelet op het feit dat de dierenkliniek Toolenburg & IJweg in Hoofddorp, de woonplaats van [eisers], gevestigd is. De vordering ter zake zal daarom worden afgewezen. De kosten van juridische bijstand tot de dag van dagvaarding, waarop [eisers] aanspraak maken, dienen te worden aangemerkt als buitengerechtelijke kosten. Deze vordering hebben [eisers] onvoldoende onderbouwd. Kennelijk zijn geen ter zake relevante kosten gemaakt, dat wil zeggen andere kosten dan die ter voorbereiding van gedingstukken en ter instructie van de zaak (zoals kosten van het zenden van aanmaningen en sommaties), waarvoor de veroordeling in de proceskosten een vergoeding pleegt in te houden. Gelet op navolgende overweging met betrekking tot de proceskosten is er daarom geen grond voor toewijzing van de vordering ter zake van buitengerechtelijke kosten.
 

3.10. In totaal zal dan ook worden toegewezen het bedrag van € 474,85. De wettelijke rente over dit bedrag is toewijsbaar vanaf 1 januari 2011.

3.11. [gedaagde] zal, als de overwegend in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van de procedure.

 

4. De beslissing

De kantonrechter: veroordeelt [gedaagde] om aan [eisers] te betalen de somma van € 474,85, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 1 januari 2011 tot de dag van voldoening;

veroordeelt [gedaagde] in de kosten van de procedure, aan de zijde van [eisers] begroot op € 352,81, waarvan € 90,81 aan explootkosten, € 142,- aan griffierecht en € 120,- als bijdrage in het salaris van de gemachtigde (niet met btw belast);

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Aldus gewezen door mr. G.J. Roeterdink, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 juli 2011.

 
 
LJN: BH0330, Sector kanton Rechtbank Roermond

Datum uitspraak: 20-01-2009
Datum publicatie: 21-01-2009
Rechtsgebied: Handelszaak
Soort procedure: Eerste aanleg - enkelvoudig

Inhoudsindicatie: In de nacht na de operatie door de dierenarts komt de hond van gedaagde te overlijden. Gedaagde wordt veroordeeld in de kosten van de operatie. Het resultaat van de behandeling door eiser is echter niet van doorslaggevende betekenis voor het al of niet verschuldigd zijn van de aan de behandeling verbonden kosten. Doorslaggevend is enkel of eiser aan zijn inspanningsverplichting heeft voldaan. De kantonrechter is van oordeel dat gedaagde geen feiten of omstandigheden aandraagt waaruit zou kunnen blijken dat eiser tekort is geschoten in zijn inspanningsverplichting.

Vindplaats(en): Rechtspraak.nl

 
1. Het verloop van de procedure
1.1. Dit blijkt uit het navolgende:
- de inleidende dagvaarding met producties;
- de conclusie van antwoord;
- de conclusie van repliek;
- de conclusie van dupliek.
1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.
 

2. De vaststaande feiten

2.1. Als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, kan van de volgende vaststaande feiten worden uitgegaan: Gedaagde heeft zijn hond [D] op 26 september 2007 naar de kliniek van eiser gebracht. Eiser heeft op die dag de hond geopereerd en daarbij de ontstoken baarmoeder verwijderd. Die avond heeft gedaagde de hond in de kliniek van eiser weer opgehaald en mee naar huis genomen. Gedaagde heeft toen een deelbetaling aan eiser van EUR 70,00 gedaan. In de nacht van 26 op 27 september 2007 is de hond [D] overleden. Op 27 september 2007 heeft gedaagde de overleden hond naar de kliniek van eiser gebracht.

 

3. Het geschil

3.1. Eiser heeft op gronden als omschreven in de dagvaarding gevorderd, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van gedaagde tot betaling aan eiser van de bedragen en rente als in de dagvaarding vermeld, kosten rechtens. Gedaagde heeft verweer gevoerd. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

 

4. De beoordeling van het geschil

4.1. Gedaagde stelt dat hij zijn zieke hond op 27 september 2007 naar de praktijk van eiser heeft gebracht. Gedaagde stelt dat hem toen werd medegedeeld dat de hond te ziek was om te worden geopereerd. Op de vraag van gedaagde of hij er over na moest denken om de hond uit zijn lijden te verlossen was volgens gedaagde de reactie dat dit niet nodig was en dat het een routine ingreep betrof. [D] zou over een week weer de “oude” zijn. Volgens gedaagde werd hij een half uur later door eiser gebeld met de mededeling dat er een plekje was om de hond te opereren. Dezelfde avond heeft gedaagde zijn hond nog opgehaald. Eiser zei toen nog dat [D] er weer helemaal “bovenop” zou komen. Gedaagde stelt dat hem werd uitgelegd hoe hij precies de hond moest verzorgen en hij kreeg medicatie voor de hond mee, waarmee de volgende ochtend moest worden begonnen. Toen gedaagde de hond mee kreeg reageerde die volgens hem nauwelijks op zijn aanwezigheid en stond de hond niet op. De hond is toen op een kar gelegd en naar de auto gereden. Thuisgekomen moest gedaagde zijn hond dragen omdat ze niet overeind kwam. [D] wilde niet drinken en kon niet op haar achterpoten staan. Ze wilde wel naar buiten om uitgelaten te worden maar kon niet overeind komen. Gedaagde stelt toen maar papier onder de hond te hebben gelegd, voor het geval zij haar behoefte moest doen. De vriendin van gedaagde is op de bank bij de hond blijven slapen. De volgende ochtend om 07.00 uur was [D] dood. De hond is toen weer naar de kliniek van eiser gebracht. Uit het verweer van gedaagde concludeert de kantonrechter dat gedaagde van mening is dat eiser toerekenbaar te kort is geschoten in de nakoming van zijn verplichtingen als dierenarts.

 
4.2. Eiser stelt dat hij alles in het werk heeft gesteld om de operatie toch direct uit te kunnen voeren en hierover overleg heeft gehad met gedaagde. Aan gedaagde is bij het brengen van de hond naar de kliniek medegedeeld dat hieraan kosten zijn verbonden. Gedaagde heeft volgens eiser op basis van volledige en juiste gegevens uitdrukkelijk ingestemd met de operatie van de hond. Bij het ophalen van de hond is duidelijk uitgelegd wat de nazorg is bij een dergelijke operatie en waar de eigenaar speciaal op moet letten en is er op gewezen dat dag en nacht een dierenarts bereikbaar is via de spoedlijn. Eiser wijst erop dat gedaagde geen contact heeft opgenomen met de spoedlijn. Eiser stelt van te voren een inschatting te hebben gemaakt over de eventuele risico’s. Als was gebleken dat opereren te risicovol was geweest was eiser hiertoe niet over gegaan. Eiser stelt dat hij als een goed dierenarts betaamt zijn werk heeft verricht. Eiser stelt zich op het standpunt dat hij met gedaagde een overeenkomst heeft gesloten waarbij eiser een inspanning heeft geleverd. Het resultaat van deze inspanning ligt van te voren niet vast. Eiser is van mening dat hij aan zijn inspanningsverbintenis heeft voldaan en alles heeft gedaan wat in zijn vermogen lag om de hond beter te maken.
 
4.3. De kantonrechter stelt vast dat gedaagde niet weerspreekt dat in onderling overleg met eiser tot operatie van de hond [D] is besloten. De kantonrechter is het met eiser eens dat de tussen partijen gesloten overeenkomst een inspanningsverbintenis voor eiser oplevert. Gedaagde kan dan ook geen aanspraak maken op een bepaald resultaat. Beoordeeld dient te worden of eiser aan zijn inspanningsverplichting heeft voldaan
 
4.4. De kantonrechter stelt voorop dat het bezoek van gedaagde met zijn hond [D] aan de kliniek uiterst tragisch is afgelopen. Op de eerste plaats tragisch voor gedaagde en zijn familieleden, die hun huisdier zijn kwijtgeraakt. Maar ook tragisch voor eiser, die als dierenarts toch niets liever wil dan het bij zijn kliniek aangeboden dier weer gezond maken. Het resultaat van de behandeling door eiser is echter niet van doorslaggevende betekenis voor het al of niet verschuldigd zijn van de aan de behandeling verbonden kosten. Doorslaggevend is enkel of eiser aan zijn inspanningsverplichting heeft voldaan. De kantonrechter is van oordeel dat gedaagde geen feiten of omstandigheden aandraagt waaruit zou kunnen blijken dat eiser tekort is geschoten in zijn inspanningsverplichting.
 

4.5. De kantonrechter acht geen termen aanwezig gedaagde toe te laten tot nadere bewijslevering.

4.6. Eiser vordert de overeengekomen rente ad 6% per jaar over het factuurbedrag. Uit de stukken blijkt niet dat de algemene betalingsvoorwaarden vooraf zijn overeengekomen. De wettelijke rente zal daarom worden toegewezen en wel vanaf 16 november 2007.

4.7. Op grond van het vorenstaande is de kantonrechter van oordeel dat de vordering met in acht name van het vorenstaande dient te worden toegewezen en dat gedaagde, als de in het ongelijk gestelde partij, dient te worden veroordeeld in de kosten van deze procedure.

4.8. De kantonrechter zal dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaren.

 

5. De beslissing

5.1. Veroordeelt gedaagde om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eiser te betalen een bedrag van EUR 417,91 vermeerderd met de wettelijke rente over EUR 363,40 vanaf 16 november 2007 tot aan de voldoening.

5.2. Veroordeelt gedaagde in de proceskosten aan de zijde van eiser geval¬len en tot aan dit vonnis begroot op EUR 288,80, waarvan EUR 120,00 als salaris voor de gemachtigde.

5.3. Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

5.4. Wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.R. Soutendijk, kantonrechter,
en ter openbare civiele terechtzitting op 20 januari 2009 uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.

 
 

In LJN BB9221 zijn met name de rechtsoverwegingen 4.4 t/m 4.7 interessant voor de mede-eigenaar van een hond. Een hond wordt in juridische zin beschouwd als een goed. Uit de bepalingen van artikel 3:109 BW vloeit voort dat degene die een goed houdt, vermoed wordt dit goed voor zichzelf te houden en dus bezitter daarvan te zijn. Voorts wordt de bezitter van een goed vermoed rechthebbende te zijn (artikel 3:119, lid 1, BW). Tegen dit wettelijk vermoeden kan tegenbewijs worden geleverd. Ingevolge artikel 3:118, lid 1, BW is een bezitter te goeder trouw, wanneer hij zich als rechthebbende beschouwt en zich ook redelijkerwijze als zodanig mocht beschouwen. Ingevolge het derde lid wordt goede trouw van de bezitter vermoed aanwezig te zijn; het ontbreken van goede trouw moet worden bewezen.

Bovenstaande impliceert dat onder omstandigheden de mede-eigenaar, die de dagelijkse zorg heeft voor de hond en bij wie de hond feitelijk verblijft, wel degelijk ook de juridische eigenaar is en in rechte om overdracht van de stamboom en het registratiebewijs kan vragen.
 
LJN: BB9221, Rechtbank Amsterdam

Inhoudsindicatie: Partijen verschillen van mening over de vraag wie eigenaar is van de hond. De rechtbank is van oordeel dat gedaagde met haar verweer gemotiveerd heeft betwist dat zij zich van de eigendom van de hond wenste te ontdoen. In beginsel zou daarmee de bewijslast van de stelling dat gedaagde dit oogmerk had komen te liggen bij eiseres. Eiseres heeft echter eveneens een beroep gedaan op de artikelen met betrekking tot houderschap en bezit uit het BW. Het verweer van gedaagde komt er op neer dat zij zich op het standpunt stelt dat een geldige titel voor eigendoms- dan wel bezitsoverdracht ontbrak zodat eiseres de hond niet voor zichzelf, maar voor haar – gedaagde – hield. Zij biedt daarvan bewijs aan. Op grond van de wetsartikelen over bezit en houderschap uit het BW zou zij derhalve moeten worden toegelaten tot tegenbewijs van wettelijke vermoedens dat eiseres rechthebbende is op de hond, dat zij de hond voor zichzelf houdt en dat haar bezit te goeder trouw is. Nu aan het tegenbewijs tegen het vermoeden van goede trouw op grond van artikel 3:118, lid 3, BW de zwaarste eisen worden gesteld en met het leveren van dergelijk tegenbewijs – gelet op de wederzijdse stellingen van partijen – het tegenbewijs tegen de andere vermoedens ook geleverd zal zijn, zal gedaagde worden toegelaten tot dit tegenbewijs. Artikel 3:118, lid 3, BW stelt, zoals onder 4.5. overwogen, als eis aan het tegenbewijs dat dit slechts kan bestaan uit het bewijs van ontbreken van goede trouw van het bezit. Dit houdt in dat gedaagde in het kader van het door haar te leveren tegenbewijs zal hebben te bewijzen dat eiseres zich niet als rechthebbende op de hond beschouwde of zich redelijkerwijs niet als zodanig mocht beschouwen. In het licht van de wederzijdse stellingen van partijen betekent dit dat in ieder geval zal moeten komen vast te staan dat eiseres uit hetgeen tussen partijen is besproken op 16 november 2004 heeft moeten begrijpen dat de hond slechts tijdelijk bij haar zou verblijven.

Vindplaats(en): Rechtspraak.nl

 

Uitspraak vonnis RECHTBANK AMSTERDAM Sector civiel recht zaaknummer / rolnummer: 367025 / HA ZA 07-1014

Vonnis van 28 november 2007 (bij vervroeging) in de zaak van A, wonende te, eiseres in conventie, verweerster in reconventie, procureur mr. I.M.C.A. Reinders Folmer, tegen B, wonende te, gedaagde in conventie, eiseres in reconventie, procureur mr. P.C. Snijders. Partijen zullen hierna A en B genoemd worden.

1. De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 25 juli 2007, - de conclusie van antwoord in reconventie tevens houdende akte vermeerdering eis in conventie, - het proces-verbaal van comparitie van 8 november 2007. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Op 15 juli 2004 is uit de hond van B een nest puppies geboren. Eén van deze puppies was Diëgo, een kruising dwergpincher, kleur bruin/wit, reu. Van dit nest heeft B in een advertentie in advertentieblad ViaVia drie puppies aangeboden voor een prijs van 35 euro. 2.2. Op 16 november 2004 is A op bezoek geweest bij B. Zij hebben met elkaar gesproken over de overleden hond van A en A heeft diezelfde dag Diëgo mee naar huis genomen. Op 19 november 2004 heeft A Diëgo bij haar dierenarts laten inenten en laten chippen. Zij heeft vanaf 16 november 2004 alle kosten van de verzorging van Diëgo gedragen. 2.3. Op 20 maart 2005 hebben A en B met elkaar afgesproken bij A thuis. Op 21 maart, 23 maart en 24 maart 2005 heeft B Diëgo bij A opgehaald om mee te gaan wandelen. Op 25 maart 2005 heeft B A telefonisch laten weten niet van plan zijn Diëgo bij haar terug te brengen omdat zij zich op het standpunt stelde dat de eigendom nooit was overgedragen. 2.4. Op 29 maart 2005 heeft A aangifte gedaan jegens B van verduistering van Diëgo. Op 30 maart 2005 heeft de politie Diëgo bij B opgehaald om er strafvorderlijk beslag op te leggen. Diëgo is daarna onmiddellijk weer ter hand gesteld aan A. 2.5. Nadat de zaak jegens B was geseponeerd wegens onvoldoende strafrechtelijk bewijs, is B een klaagschriftprocedure begonnen om Diëgo aan haar, als degene onder wie het voorwerp, Diëgo, in beslag was genomen, terug te doen geven, nu het strafvorderlijk belang was ontvallen. Bij beschikking van de rechtbank Amsterdam van 20 december 2005 is geoordeeld dat B als rechthebbende diende te worden aangemerkt in het kader van die procedure en dat Diëgo derhalve aan haar teruggegeven diende te worden. Van dit oordeel heeft A cassatie ingesteld bij de Hoge Raad. Deze heeft bij beschikking van 20 februari 2007 het oordeel van de rechtbank bekrachtigd. Omdat deze procedure schorsende werking had, is Diëgo gedurende de periode dat de procedure aanhangig was bij A in huis gebleven. 2.6. Kort na deze beschikking van de Hoge Raad heeft A bij verzoek van 26 februari 2007 de voorzieningenrechter van deze rechtbank verzocht haar verlof te verlenen tot het leggen van conservatoir beslag tot afgifte in afwachting van een door haar te starten civiele procedure. In het kader van dit verzoek zijn partijen op 1 maart 2007 door de voorzieningenrechter gehoord. Bij beschikking van 5 maart 2007 is dit verlof verleend. Voor zover relevant is overwogen: “Partijen verschillen van mening over de vraag wie eigenaar is van de hond. Gelet op hetgeen partijen over en weer hebben gesteld, vereist dit nader onderzoek naar de feiten, waarvoor deze procedure zich niet leent. Bij deze stand van zaken kan niet op voorhand worden uitgesloten dat A niet de rechtmatige eigenaresse is van de hond. Daar komt bij dat in een eventuele bodemprocedure door B (tegen)bewijs zal moeten worden geleverd omtrent de afspraak die zij zegt te hebben gemaakt met A inhoudende dat A de hond slechts zou verzorgen. Voorshands is onaannemelijk dat dit B zal lukken, omdat hierover niets op schrift is gesteld en er ook geen getuigen waren, anders dan de elfjarige dochter van B.”

 
3. Het geschil
in conventie
3.1. A vordert – na vermeerdering van eis en samengevat – een verklaring voor recht dat bij haar het eigendomsrecht rust op Diëgo, alsmede veroordeling van B tot betaling van haar kosten, de kosten van de verschillende procedures daaronder begrepen.

3.2. B voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie
3.3. B vordert samengevat - veroordeling van A om Diëgo in haar bezit te stellen, onder verbeurte van een dwangsom van EUR 500,= per dag of dagdeel dat A daaraan niet voldoet, met veroordeling van A in de kosten van het geding.

3.4. A voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling in conventie en in reconventie

4.1. Omdat in conventie en in reconventie ter beoordeling staat wie beschouwd kan worden als rechthebbende op Diëgo, zullen de vorderingen gezamenlijk worden behandeld.

4.2. A stelt dat B Diëgo op 16 november 2004 aan haar heeft gegeven, nadat zij B had verteld over haar overleden hond. Zij stelt zich op het standpunt dat daarbij geen voorbehouden of nadere afspraken zijn gemaakt. Juridisch baseert zij haar standpunt dat zij eigenaresse is van Diëgo in de eerste plaats op artikel 5:18 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Dit artikel bepaalt dat de eigendom van een roerende zaak wordt verloren wanneer de eigenaar het bezit prijsgeeft met het oogmerk om zich van de eigendom te ontdoen. Zij stelt daarbij dat uit de omstandigheid dat B het nestje puppies in ViaVia te koop heeft aangeboden genoegzaam aantoont dat B zich van de eigendom wenste te ontdoen.

4.3. B betwist dat Diëgo één van de puppies was die in de advertentie te koop werd aangeboden. Zij stelt dat het oorspronkelijke nestje een nestje was van vijf, waarvan ze één heeft moeten laten inslapen. Zij stelt voorts dat van de andere vier er drie teefjes waren en één reu, Diëgo, en dat alleen de teefjes in de advertentie te koop werden aangeboden. Veel kopers toonden interesse in Diëgo, maar die is allen verteld dat Diëgo niet te koop was omdat die bedoeld was voor de dochter van B, C. Omdat B in verband met haar spierziekte niet in staat was Diëgo te socialiseren, heeft zij een advertentie geplaatst in de plaatselijke dierenwinkel. In reactie op deze advertentie is A in november 2004 met B in contact gekomen. In het gesprek met A is de afspraak gemaakt dat A Diëgo zou socialiseren. Omdat B moest wachten op een nieuwe, aangepaste auto en daarna last had van longproblemen, was zij pas in maart 2005 in staat Diëgo op te halen. Zij heeft de hond niet aan A geschonken, zoals deze stelt. Hierin bestaat ook de afwezigheid van goede trouw in het bezit van A, aldus steeds B.

 
4.4. Voor de bewijslastverdeling in het kader van de wederzijdse stellingen van partijen betekent het vorenoverwogene het volgende. De rechtbank is van oordeel dat B met haar verweer gemotiveerd heeft betwist dat zij zich van de eigendom van Diëgo wenste te ontdoen. In beginsel zou daarmee de bewijslast van de stelling dat B dit oogmerk had komen te liggen bij A. A heeft echter eveneens een beroep gedaan op de artikelen met betrekking tot houderschap en bezit uit het BW. Uit deze bepalingen vloeit voort dat degene die een goed houdt, vermoed wordt dit goed voor zichzelf te houden en dus bezitter daarvan te zijn (artikel 3:109 BW). Voorts wordt de bezitter van een goed vermoed rechthebbende te zijn (artikel 3:119, lid 1, BW). Tegen dit wettelijk vermoeden kan tegenbewijs worden geleverd. Dit tegenbewijs hoeft niet te bestaan in het bewijs van het tegendeel, zoals bij een bewijslastomkering; voldoende is dat zoveel twijfel wordt gezaaid dat de op het wettelijk vermoeden berustende vaststelling onhoudbaar wordt.

4.5. Ingevolge artikel 3:118, lid 1, BW is een bezitter te goeder trouw, wanneer hij zich als rechthebbende beschouwt en zich ook redelijkerwijze als zodanig mocht beschouwen. Ingevolge het derde lid wordt goede trouw van de bezitter vermoed aanwezig te zijn; het ontbreken van goede trouw moet worden bewezen. Uit de Memorie van Antwoord (Parlementaire Geschiedenis boek 3, p. 444/445) volgt dat de wetgever de woorden [goede trouw] “wordt steeds verondersteld” uit het Voorontwerp heeft vervangen door het gebruikelijke “wordt vermoed”. Hiermee heeft hij tot uitdrukking willen brengen dat dit vermoeden – steeds en slechts – voor tegenbewijs wijkt, terwijl voorts het tegenbewijs van goede trouw nergens anders in kan bestaan dan in het bewijs van kwade trouw (lees: het ontbreken van goede trouw).

4.6. Het verweer van B komt er op neer dat zij zich op het standpunt stelt dat een geldige titel voor eigendoms- dan wel bezitsoverdracht ontbrak zodat A Diëgo niet voor zichzelf, maar voor haar – B – hield. Zij biedt daarvan bewijs aan. Op grond van voornoemde artikelen zou zij derhalve moeten worden toegelaten tot tegenbewijs van de wettelijke vermoedens dat A rechthebbende is op Diëgo, dat zij Diëgo voor zichzelf houdt en dat haar bezit te goeder trouw is. Nu aan het tegenbewijs tegen het vermoeden van goede trouw op grond van artikel 118, lid 3, BW de zwaarste eisen worden gesteld en met het leveren van dergelijk tegenbewijs – gelet op de wederzijdse stellingen van partijen – het tegenbewijs tegen de andere vermoedens ook geleverd zal zijn, zal B worden toegelaten tot dit tegenbewijs.

4.7. Artikel 3:118, lid 3, BW stelt, zoals onder 4.5. overwogen, als eis aan het tegenbewijs dat dit slechts kan bestaan uit het bewijs van ontbreken van goede trouw van het bezit. Dit houdt in dat B in het kader van het door haar te leveren tegenbewijs zal hebben te bewijzen dat A zich niet als rechthebbende op Diëgo beschouwde of zich redelijkerwijs niet als zodanig mocht beschouwen. In het licht van de wederzijdse stellingen van partijen betekent dit dat in ieder geval zal moeten komen vast te staan dat A uit hetgeen tussen partijen is besproken op 16 november 2004 heeft moeten begrijpen dat Diëgo slechts tijdelijk bij haar zou verblijven. Dit bewijs acht de rechtbank niet reeds (voorshands) geleverd met de door B in het geding gebrachte verklaringen, nu de door A in het geding gebrachte verklaringen hier lijnrecht tegenover staan en er vooralsnog geen aanleiding bestaat aan één van beide sets verklaringen meer gewicht toe te kennen. Daar komt bij dat onbetwist is dat A vanaf 16 november 2004 zich heeft gedragen als eigenaresse van Diëgo door hem op haar kosten te laten inenten en chippen en bovendien de hondenbelasting voor hem te dragen. Uit dergelijke omstandigheden kan vooralsnog niet blijken dat zij had begrepen of moeten begrijpen dat zij geen rechthebbende was.

4.8. De rechtbank leidt uit de onder 4.5 genoemde parlementaire geschiedenis af dat weliswaar aan de inhoud van het te leveren tegenbewijs bepaalde eisen worden gesteld, maar dat de wetgever tegelijkertijd een bewuste keuze heeft gemaakt voor een wettelijk vermoeden dat openstaat voor tegenbewijs. Als zodanig moet worden geoordeeld dat geen sprake is van omkering van de bewijslast, zodat de (procedure)regels die gelden voor het leveren van tegenbewijs van toepassing blijven. Dit houdt tevens in dat artikel 164, lid 2, van het Wetboek van Rechtsvordering B, anders dan A heeft betoogd, dan ook niet zal kunnen worden tegengeworpen. Ook ziet de rechtbank in de omstandigheid dat het voor B lastig zal zijn het tegenbewijs te leveren, met name ook omdat het door haar te leveren bewijs mede ziet op de subjectieve beleving van haar wederpartij, A, geen grond haar niet tot tegenbewijs toe te laten. Anders dan A heeft betoogd, acht de rechtbank hier geen juridische gronden voor aanwezig.

4.9. Voor het geval B in haar tegenbewijs niet slaagt, wordt thans reeds overwogen dat de wettelijke vermoedens niet zullen zijn ontkracht en dat A dan als eigenaresse van Diëgo beschouwd zal moeten worden. Haar daarop ziende vordering zal dan kunnen worden toegewezen. Omdat alsdan uitgegaan zal worden van de eigendom van A, zal ook geoordeeld kunnen worden dat B inbreuk heeft gemaakt op dit eigendomsrecht door Diëgo vanaf 25 maart 2005 onder zich te houden en vervolgens teruggave te vorderen. De door A gestelde schade van EUR 514,50 aan niet vergoede bijdragen in de strafvorderlijke procedure vloeit daaruit rechtstreeks voort, zodat de vordering ziende op vergoeding van deze schade alsdan ook toewijsbaar zal zijn. De kosten van het beslag zullen als proceskosten in de onderhavige procedure toegewezen kunnen worden.

4.10. Voor het geval B in het tegenbewijs mocht slagen, overweegt de rechtbank thans reeds dat alsdan bewezen zal zijn dat A zich niet als rechthebbende op Diëgo beschouwde of redelijkerwijs mocht beschouwen. Alsdan zullen de vorderingen van A, die wel op deze veronderstelling zijn gegrond, voor afwijzing gereed liggen. De vorderingen van B zullen in dat geval, gelet vooral op de hiervoor onder 2.5. bedoelde beschikking van de Hoge Raad, grotendeels kunnen worden toegewezen.

4.11. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
 
 
Bron: onderstaand artikel is gepubliceerd in de
Nieuwsbrief van de Algemene Vereniging voor Liefhebbers van Saarlooswolfhonden, jaargang 2, nr. 3.